Je stapt in Bilbao en denkt: “Oké, mooi gebouw, leuk begin, maar wat nu?” Nou, wat nu? Je rijdt door een landschap dat je denkt verzonnen te hebben. Picos de Europa? Ja, daar wandel je doorheen alsof je in een sprookje terechtkwam. Lagos de Covadonga? Die zien eruit alsof iemand besloot: “Laten we hier een paar magische meren neerzetten, gewoon voor de gein.” En jij mag er langs. Twee nachten in de meeste plekken? Ja, dus je hoeft niet de hele tijd je koffer te slepen alsof je een circusact bent. Je zet hem neer, je zet jezelf neer, je zegt: “Ik blijf hier even.”
Oviedo? Mooi. Santiago de Compostela? Ook mooi. Olite? Dat ken je niet? Precies. Daarom is het leuk. Je loopt door straatjes waar zelfs de katten chagrijnig kijken, maar in een charmante, ouderwetse Spaanse manier. Je ziet kathedralen, muurschilderingen, zandstrandjes die niemand kent (behalve jij nu), en misschien loop je El Cid tegen het lijf. Of niet, maar het voelt alsof hij hier gisteren nog een biertje dronk.
Wijnproeverij in Rioja? Natuurlijk. Guggenheim? Waarom niet. Musac? Als je wilt. Je hebt tijd. Je hebt ruimte. Je hebt tapas. Veel tapas. En misschien eet je er eentje die zo lekker is dat je even stilvalt en denkt: “Waar ben ik nou echt mee bezig?” En dat is precies het punt. Dit is geen race. Dit is genieten met een hoofdletter G. En een hoofdletter T, want Tapas. Hotel, Spanje, Spanje, Spanje
Meer weten? hier zie je meer
