Stap binnen, trek je schoenen uit, en laat je kinderziel los. Bobbejaanland is geen pretpark, Bobbejaanland is een therapeutische noodzaak. Je denkt: ‘Ik kom hier voor de kinderen.’ Leugenaar. Jij wil de Baron 1898 weer in. Jij wil schreeuwen in de Flying Turns. Jij wil op de achterste rij van de Condor zitten en je broek vol schreeuwen. En dat mag. Hier is niets ongepast. Behalve misschien die ouderwetse bermuda die je aanhebt. Maar zelfs die worden vergeven.
Dit is geen Disneyland met glitters en muisoren. Dit is België, met bier, bos en bergen – of nou ja, heuvels. Maar die heuvels worden door de achtbaan omgevormd tot adrenaline-injecties. Je komt hier niet om te winkelen. Je komt hier om te vliegen. Of te storten. Of te gillen als een puber bij haar eerste afspraakje.
En als je even niet schreeuwt, eet je friet. Want natuurlijk. Je staat in de rij voor de Typhoon, je ruikt de mayonaise, en ineens is je leven compleet. Je kind zegt: ‘Papa, ik wil nog een keer.’ En jij zegt: ‘Ja, schat, maar eerst mijn ademhalingsoefeningen na de Python.’
Er is muziek. Er is geschreeuw. Er is een pretpark dat weigert serieus te zijn. En dat is precies waarom het werkt. Geen hologrammen, geen apps, geen virtuele wachten. Gewoon: een kaartje, een bos, en een hoop moed. Je stapt in iets waar je spijt van zult krijgen. En dan wil je het meteen nog een keer.
Dus doe je haar in een staart, trek je stevige sokken aan, en ga. Ga als gezin. Ga als stel. Ga als mens die wil herinneren hoe het voelt om te schreeuwen zonder dat iemand ‘sst!’ zegt. Bobbejaanland is geen luxe. Het is beter. Het is puur. Het is puin na de achtbaan. En het is geniaal.
Meer weten? bekijk de opties
